A.Vogel Blog

Taal/Langue

 

Een kleine jongen houdt de hand van zijn vader vast terwijl hij door de bossen en velden nabij Basel stapt. Zijn ogen speuren nieuwsgierig in het rond terwijl hij alle geuren en geluiden in zich opneemt.

De jongen is diep onder de indruk van de natuur in al zijn diversiteit. Zijn vader trekt continu zijn aandacht door hem de planten te tonen die ze passeren: kruiden, bladeren, bloemen en wortels. Hij vertelt z’n zoon over de diverse kwaliteiten van de planten. Welke giftig en schadelijk zijn, welke helende krachten hebben en over ervaringen die mensen gehad hebben met de planten. De vader van de jongen is een expert op het vlak van planten dankzij de kennis die hij via zijn moeder vergaarde, die herboriste was.

Het blijft niet bij theorielessen alleen. De vader geeft ook praktijklessen door zijn zoontje te tonen welke effecten kruiden hebben op zijn eigen lichaam. Alfred Vogel zei hierover later: “Terwijl we wandelden, moest ik vaak verse kruiden en planten plukken en er op kauwen, zodat ik zelf het effect ervan op mijn lichaam kon voelen”.

Onderzoek vraagt tijd...

Het idee dat van Alfred Vogel – de kleine jongen aan z’n vaders hand – een ‘revolutionaire’ pionier in de natuurgeneeskunde maakte, stond nog in zijn kinderschoenen aan het begin van de 20ste eeuw.

Het klinkt zo simpel: enkel gebruik maken van verse, volledige planten. Maar het ging in tegen alle conventies van die tijd. Planten bestemd voor helende doeleinden werden doorgaans altijd gedroogd ter bewaring, alvorens ze werden omgezet in geneesmiddelen. Mensen wisten weinig over hun inhoud. De kruidengeneeskunde was gebaseerd op ervaring.

De groeiende chemisch-farmaceutische industrie was voornamelijk geïnteresseerd in het isoleren en analyseren van individuele ingrediënten om ze vervolgens, indien mogelijk, synthetisch na te maken.

Zo werd fytotherapie het onderwerp van moderne onderzoeksmethodes. Het werd mogelijk om steeds meer plantenstoffen te identificeren, hun structuur te verklaren en hun effect wetenschappelijk te bewijzen. Een proces van lange adem dat tot op de dag van vandaag verdergaat.

Dankzij de toenemende interesse in organische scheikunde gedurende de 19e eeuw, werden stoffen ontdekt zoals morfine, cafeïne en digitoxine (van het vingerhoedskruid). Toch zou het nog duren tot ergens in de jaren 1990 vooraleer ontstekingsremmende sesquiterpeenlactonen geïdentificeerd werden als hoofdingrediënt van bijvoorbeeld Arnica. Het exacte moleculaire actie-mechanisme werd pas in 2003 verklaard.

.... en een onconventionele denkwijze

Veel van wat we vandaag weten, was nog totaal ongekend in de tijd van Alfred Vogel (1902-1996). Desondanks was de jonge Alfred er van overtuigd dat “elke individuele plant een compleet organisme is, bestaande uit verschillende substanties die samen een bepaalde helende kracht hebben (het totum effect)”. Hoewel hij wist dat men doorgaans gebruikmaakte van gedroogde medicinale planten, (hij omschreef dit als ‘eigentijds’), was hij al sinds 1925 bezig met het maken van chemische verbindingen op basis van verse planten.

Hij had namelijk als kind zelf ervaren “hoe effectief helende planten kunnen werken als je ze vers en rauw eet” tijdens de uitstapjes met zijn vader. Op praktische wijze ontdekte hij zo het bijzonder krachtige effect  van diuretische en eetlustopwekkende kruiden. Daarnaast had hij tegen 1920 al een klein stukje van de wereld gezien en ervaren dat gedroogde planten bepaalde vitale inhoudsstoffen verliezen. Met deze kennis in z’n achterhoofd begon hij te experimenteren met verse planten in zijn laboratorium in Basel.

Vooruit op zijn tijd

Hierdoor was Alfred Vogel zijn tijd ver vooruit. Vandaag weten we een heleboel dingen met zekerheid die hij indertijd enkel intuïtief kon aanvoelen. Het was hem uiteraard duidelijk dat vluchtige ingrediënten - zoals essentiële oliën, terpenen (die je bijvoorbeeld kan vinden in pepermunt en tijm), bepaalde glycosiden (in mierikswortel, mosterd en waterkers) of de vluchtige elementen van hars - deels of volledig verloren gingen tijdens het drogen. De omvang en betekenis van dit verlies was onmeetbaar. Tegenwoordig is geweten dat veel van de waardevolle, secundaire plantenstoffen die toen nog niet ontdekt waren, ook vluchtige componenten bevatten.

Gebaseerd op zijn jarenlange ervaring, hield Vogel koppig vol dat “bereidingen op basis van verse planten een grotere effectiviteitsradius hebben dan die op basis van gedroogde planten”. Daarnaast hebben “bereidingen op basis van verse planten ook een snellere, sterkere en diepere werking dan die op basis van gedroogde planten”. Al in 1953 schreef hij in ‘Health News’ dat hij “grote verschillen in effectiviteit en smaak” waarnam tussen tincturen op basis van verse en gedroogde planten. Daarnaast bevatten medicinale kruiden vaak onzuiverheden wanneer ze lange tijd bewaard en getransporteerd worden over lange afstanden. Schade door insecten, verwelking en zelfs schimmels werden vastgesteld. Een andere bron van onzuiverheden die door Alfred Vogel werd vastgesteld, komt voort uit de manier waarop de planten geteeld worden: organisch geteelde planten bevatten duidelijk een lagere concentratie aan pesticides, toxines uit de omgeving en zware metalen (M. Tobler, hoofd van Onderzoek en Ontwikkeling, Bioforce AG).

Waarom vers écht beter is!

Dat zijn theorieën een wetenschappelijke basis hebben, is ondertussen bewezen in laboratoria. Onderstaande voorbeelden tonen dat duidelijk aan.

Alkylamides in Echinacea purpurea werken ontstekingsremmend en stimuleren de weerstand. Ze lijken op cannabinoïden en binden zich aan dezelfde receptoren als diegene die je kan vinden in lichaamscellen. Cruciaal voor de effectiviteit ervan is dat er ook cannabinoïde receptoren in de cellen van het immuunsysteem zitten en dat zij het immuunsysteem activeren. Samen met andere ingrediënten in Echinacea purpurea, zoals polysachariden en proteïne-suiker-bindingen, zijn deze alkylamides erg interessant.

In 1994 werd aangetoond dat extracten van verse Echinacea purpurea drie keer meer alkylamides bevatten dan extracten van gedroogde Echinacea purpurea (Gansheitsmedizin 5/94)*. Een verse plant is dus absoluut superieur ten opzichte van een gedroogde plant!

Tweede voorbeeld: het hartversterkende effect van meidoornbessen (dat overigens ook wetenschappelijk bewezen is) komt onder andere voort uit stoffen genaamd procyanidinen. Zij zijn één van de secundaire plantaardige inhoudsstoffen, specifiek de polyfenolen (je kan een overzicht vinden van secundaire plantaardige stoffen in GN 5/2013). Resultaat van de labotests? De hoeveelheid procyanidinen ligt gevoelig hoger en blijft stabiel bij verse bessen, waar dit bij gedroogde en diepgevroren bessen lager ligt en doorheen de tijd nog daalt (Gansheitsmedizin 5/94).

Ontdek in deze video meer over het voordeel van verse planten:


Volledige plant vs. individueel ingrediënt

Ondertussen blijkt dat ook Alfred Vogels theorie aangaande het gebruik van de volledige plant klopt. Volgens hem “is het bijna nooit goed om slechts een bepaald deel van de volledige plant te gebruiken”. Hij gaf wel toe dat “het wel kan zijn dat het specifieke effect van een plantdeel doelgerichter werkt, waardoor het door een scheikundige, dokter of farmacoloog beter uitgewerkt kan worden”.

Toch maakte hij zich in dat geval zorgen over het synergistisch effect: het feit dat “alle ingrediënten samen, zelfs die waarvan we het bestaan niet kennen” samen verantwoordelijk zijn voor de effectiviteit en verdraagzaamheid van het geneesmiddel. De klinische en medische bewijzen voor deze theorie stapelen zich op.

Vroegere visie vs. huidig onderzoek

Tegenwoordig is het onderzoek erg geëvolueerd ten opzichte van dat in de tijd van Alfred Vogel. Recent onderzoek toont aan dat ondersteunende inhoudsstoffen zoals saponinen, slijmstoffen of tannines invloed hebben op zowel de bio-beschikbaarheid als de effectiviteit van medicinale planten (Ganzheitsmedizin 5/94), en dat ondersteunende ingrediënten en plantvezels instaan voor de effectiviteit en verdraagzaamheid van medicinale planten (Prof. Reinhard Saller, de eerste benoemde professor in natuurgeneeskunde bij een Zwitserse universiteit).

Dit wordt wederom aangetoond bij Arnica montana. Professor Irmgard Merfort onderzocht samen met haar onderzoeksgroep van het ‘Institute of Pharmaceutical Biology’ in Freiburg de ingrediënten van deze plant en haar actie-mechanismen. Ze stelde vast dat, naast de hierboven aangehaalde elementen, ook de sesquiterpeenlactonen, flavonoïden, chlorogeenzuren en etherische oliën in het bijzonder bijdragen aan de effectiviteit van Arnica (Pharmazeutische Zeitung 4/2003).

Innovatieve excentriekeling

Het is bekend dat Alfred Vogel de stichter was van een productie-eenheid voor medicinale planten, gespecialiseerd in de productie van middelen op basis van verse planten. ‘Bioforce’ draagt de visie van Alfred Vogel verder uit. De kracht van de natuur staat centraal. Vandaag is Bioforce een toonaangevend bedrijf in natuurlijke geneesmiddelen dat in 2013 reeds haar 50ste verjaardag mocht vieren.

De visie van Alfred Vogel wordt in ere gehouden. De productie van medicinale producten op basis van verse planten vraagt, naast technische kennis, ook talent en liefde. Het is een kunst op zich. Daarbovenop komt nog de zorg, begrip en liefde voor de planten en een grote fascinatie om mensen te helpen.

Alfred Vogel was succesvol in al deze zaken dankzij zijn werknemers. Over hen zei hij: “De mensen die mijn bedrijf succesvol maakten, waren geen normale mensen. Ze waren een beetje gek”. Liefdevol, en met een beetje ironie, zei hij ook: “Soms bewijst de realiteit echt dat de excentriekelingen gelijk hebben!”.

Deze zin is helemaal van toepassing wanneer het aankomt op zijn visie om met volledige en verse planten te werken.

Quote:

“Every natural law that can be observed is due to something higher, and as yet unrecognised.”
Alexander von Humboldt

* Noot

* Klinische studies tonen aan dat in het bijzonder extracten van alcohol een immuun-modulerende en anti-virale werking hebben. De ‘Expert Commission for medicinal plant’ bij het ‘German Federal Ministry of Health’ zegt dat enkel de werkzaamheid van de rode en paarse Echinacea bloemen aangetoond is, en niet die van Echinacea angustifolia en Echinacea pallida, de bleke variant met dunne blaadjes. Echinacea purpurea en zijn actie-mechanisme zijn intensief onderzocht door onder andere Prof. Rudolf Bauer, University of Graz, Dr. Jürg Gertsch, ETH Zürich, Prof. Stephan Pleschka, University of Giessen en Prof. Michael Heinrich, University of London, om er enkele te noemen.

Printprint-icon

0 artikelen in winkelwagentje